Onderzoekscommissie: wetgever moeten beter letten op discriminatie bij maken van wetten

Een onderzoekscommissie van de Eerste Kamer heeft in het rapport Gelijk recht doen geconcludeerd dat er een flinke kloof bestaat tussen wetgeving op papier en hoe deze in de praktijk uitpakken. Daarom zou het parlement beter moeten opletten of wetsvoorstellen niet onbedoeld leiden tot meer discriminatie.

Uit het rapport is bijvoorbeeld gebleken dat de wetgever te vaak van de zelfredzaamheid van de burgers uitgaat en juist te weinig vertrouwen in de goedwillendheid van de burgers heeft. Ook wordt er vaak te weinig rekening gehouden met de kwetsbaarheid van sommige burgers. De commissie geeft hierbij aan dat er bij het opstellen van wetten te vaak (onbewust) van de ‘normburger’ wordt uitgegaan: een oudere, heteroseksuele, niet-religieuze, westerse man zonder beperking.

Doordat de wetgever er juist voor wil zorgen dat iedereen hetzelfde behandeld wordt, worden mensen volgens de onderzoekers juist benadeeld als ze niet aan de dominante norm voldoen. Daarnaast komt er uit het rapport naar voren dat bepaald taalgebruik als discriminerend kan worden ervaren en dat ook de ruimte die uitvoeringsorganisaties krijgen voor het leveren van maatwerk kan leiden tot discriminatie.

In de toekomst zou het parlement dan ook een afwegingskader bestaande uit 6 aandachtspunten moeten hanteren bij de beoordeling van wetsvoorstellen. Deze aandachtspunten zijn normering, vertrouwen, aandacht en eenvoud, taalgebruik, verantwoordelijkheid en heldere, effectieve (klacht)procedures en leiderschap. Daarnaast moet er niet vanuit worden gegaan dat elke burger dezelfde mate van zelfredzaamheid heeft en moet er juist wel vanuit worden gegaan dat burgers goedwillend en deugdzaam zijn. Ook zou er continu aandacht voor discriminatie moeten zijn volgens de commissie.

Het is dus vooral gebleken dat het erg belangrijk is dat er niet meer standaard van een “normburger” wordt uitgegaan door de wetgever en er op stigmatiserend taalgebruik wordt gelet, door termen als laagopgeleiden, thuiszitters en niet-westerse allochtonen. In elke wet zou dan ook een expliciete verwijzing naar het discriminatieverbod moeten staan volgens de commissie. Ook zou een wet eenvoudig moeten zijn, zodat elke burger simpel een klacht kan indienen of zijn of haar recht kan halen.

Uiteindelijk kan de wetgever bijvoorbeeld een rapportage eisen, waar dan wel weer genoeg middelen voor moeten zijn zoals tijd, mankracht en opleiding. De commissie geeft aan dat het parlement door het toetsen op deze thema’s beter kan meewegen of er in de praktijk een discriminerend effect op kan treden.

Verschillende experts hebben daarna positief gereageerd op het rapport, waaronder KIS (Kennisinstituut Inclusief Samenleven) en Movisie (kennisinstituut op het gebied van discriminatie). Movisie heeft voordat het rapport daadwerkelijk verscheen al commentaar mogen leveren op de inhoud en was vooral positief over het gebruikmaken van de aanpak van discriminatie die bewezen werken door de onderzoekscommissie.

“We weten uit onderzoek dat wanneer mensen weten dat zij de kans lopen om zich te moeten verantwoorden over hoe zij gelijkheid en non-discriminatie hebben gewaarborgd in de processen in hun organisatie, zij meer hun best hiervoor doen”, reageert Movisie-onderzoeker Hanneke Feltente gen NU.nl. “Dit is een belangrijk mechanisme om bijvoorbeeld institutioneel racisme te voorkomen.”

KIS-onderzoeker Amma Asante vult aan: “In dit rapport is veel aandacht besteed aan de burger en diens realiteit. Begrip vanuit de overheid en een basishouding van vertrouwen zoals de commissie in het rapport verwoordt, moeten resulteren in wetten die minder snel tot discriminatie leiden.”

KCA in vogelvlucht

De katalysator binnen het arbeidsrecht

KCA ziet zichzelf bij het vinden van oplossingen als katalysator.

De perfecte mediator

Binnen conflicten en het vinden van oplossingen ligt de toegevoegde waarde van KCA.

De verbinder en bruggenbouwer

KCA is de verbindende factor bij verschillende conflicten.