Gerechtshof oordeelt dat ontslagen Volksbank-CFO toch arbeidsovereenkomst had

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft geoordeeld dat het eerdere oordeel over de ontslagen financieel directeur van de Volksbank, Pieter Veuger, niet juist was. Het gerechtshof heeft nu bepaald dat Veuger nog een arbeidsovereenkomst had en daardoor recht op doorbetaling van 9 maanden salaris, in tegenstelling tot het eerdere oordeel van e rechter.

Veuger begon in januari 2020 bij de Volksbank, maar een half jaar daarna werd zijn vertrek alweer aangekondigd door de bank. Veuger zat op dat moment ziek thuis en zijn ontslag zorgde leidde vervolgens tot een rechtszaak over de vraag of er sprake was van een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht.

In augustus 2021 oordeelde de Utrechtse rechtbank vervolgens dat er van een arbeidsovereenkomst geen sprake was tussen Veuger en de Volksbank. Veuger solliciteerde destijds als partner, was als registeraccountant aan PwC verbonden en kende de banksector goed als consultant. Volgens de rechter wist Veuger daardoor dat de Volksbank met de nieuwe functie met hem een overeenkomst van opdracht aan wilde gaan en zou hij zich terdege hebben gerealiseerd dat hij dus niet op basis van een arbeidsovereenkomst aan het werk zou gaan bij de Volksbank.

Het gerechtshof heeft in hoger beroep echter geoordeeld dat er wel sprake was van een arbeidsovereenkomst tussen Veuger en de Volksbank, omdat de afspraken die gemaakt waren en de uitvoering die daaraan gegeven was het meest lijken op een arbeidsovereenkomst.
Het gerechtshof voerde diverse factoren aan die meespelen bij de beoordeling, zoals de mate waarin degene die de arbeid verricht zelf voor hulp- en grondstoffen en hulpmiddelen zorg draagt, de mate waarin degene ondernemersrisico draagt, het karakter van de beloning, eventuele inhouding van sociale premies en loonbelasting door de (mogelijke) werkgever en een eventuele afdracht van btw door degene die de arbeid verricht, maar ook doorbetaling over ziekte- en verlofdagen, vakantiedagen, het incidentele karakter van de arbeid, de vraag of er rechtstreeks door cliënten betaald word, de mate waarin er andere werkzaamheden worden verricht naast de overeengekomen werkzaamheden en de vrijheid om zelf het werk in te kunnen delen. Het ontslag werd wel rechtsgeldig verklaard.

Het hof heeft deze factoren vervolgens zorgvuldig afgewogen. Zo droeg Veuger bijvoorbeeld gen ondernemersrisico, droeg hij geen btw af, vond de betaling niet aan hemzelf plaats en declareerde hij niet. ‘Het gebruik van het woord ‘management-vergoeding’ voor loon duidt op zichzelf niet een bijzonder karakter van dat loon aan. Uit de inhouding van sociale premies en loonbelasting door De Volksbank, hetgeen in de regel wijst op een arbeidsovereenkomst, kan in dit geval geen aanwijzing worden geput voor het antwoord op de kwalificatievraag, omdat als reden voor die inhouding is gegeven het bestaan van een fictief dienstverband.’

Van de andere kant bekeken hoort bij een opdracht dan weer geen automatisch toegpaste Wga-hiaatverzekering en daarvoor werd bij Veuger wel salaris ingehouden. ‘Doorbetaling tijdens vakantie en ziekte, de verwijzing naar toepasselijke bepalingen uit Titel 7:10 BW en de regelgeving bij arbeidsongeschiktheid wijzen ook op een arbeidsovereenkomst.’ Daarnaast had Veuger een fulltime functie die niet van tijdelijke aard was en duidelijk was ingebed in de organisatie van de Volksbank. ‘Dat de overeenkomst te allen tijde kan worden opgezegd, is inherent aan het statutair bestuurderschap en dus niet onderscheidend voor de kwalificatie van de onderliggende rechtsverhouding. De wijze waarop de overeenkomst is uitgevoerd (loonstrook en werkgeversverklaring) wijst ook iets meer op een arbeidsovereenkomst dan op een opdracht, hoe begrijpelijk het ook is dat De Volksbank gebruik maakt van bestaande systemen en formulieren.’ Hoewel er in de considerans van de overeenkomst staat aangegeven dat beide partijen geen arbeidsovereenkomst beogen aan te gaan, oordeelde het hof dat dit niet van belang is omdat de andere factoren zwaarder wegen.

Aangezien Veuger zich ten tijde van zijn ontslag al eerder had ziekgemeld, was er sprake van een opzegverbod. Dit opzegverbod werd vervolgens door de Volksbank genegeerd en dus heeft Veuger recht op een vergoeding. De miljoenenclaim die Veuger had ingediend krijgt hij echter niet, maar hij krijgt wel een bedrag dat overeenkomt met 9 maanden brutoloon. Een hogere vergoeding vindt het hof niet nodig, omdat er geen sprake is van een ernstig verwijt richting de Volksbank. Veuger krijgt verder nog wel zijn vakantiedagen uitbetaald en een transitievergoeding.

Dit betekent dat Veuger in totaal een vergoeding krijgt van 270.000 euro, een transitievergoeding van een kleine 10.000 euro en zijn 28,5 dagen vakantiedagen uitbetaald. Hij heeft echter ook flink moeten betalen voor de proceskosten van de rechtszaak, dus het is nog maar de vraag of de vergoeding de kosten zal dekken. Veuger schat zijn advocatenkosten op 500.000 euro en dit hoeft de Volksbank niet te betalen, zo oordeelde het hof, omdat deze buitensporig hoge kosten niet gerechtvaardigd zijn.

KCA in vogelvlucht

De katalysator binnen het arbeidsrecht

KCA ziet zichzelf bij het vinden van oplossingen als katalysator.

De perfecte mediator

Binnen conflicten en het vinden van oplossingen ligt de toegevoegde waarde van KCA.

De verbinder en bruggenbouwer

KCA is de verbindende factor bij verschillende conflicten.